Wennen zou geen momentopname moeten zijn, maar een proces, zei onderzoeker Roseriet Beijers in het eerste deel van dit tweeluik. Daar willen we meer over weten. Wat zijn de succesfactoren van een goede wenperiode?
Roseriet is universitair hoofddocent aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Ze is gepromoveerd op de eerste duizend dagen van kinderen.
Hoe komt het eigenlijk dat we in de kinderopvang denken dat een paar momenten genoeg zijn, om te wennen?
Roseriet: ‘Omdat we geloven dat het kind klaar moet zijn voor de kinderopvang, in plaats van andersom. De meeste borstvoedende moeders weten: je moet op tijd de fles geven, anders weigert de baby de fles en wordt het lastig op de opvang. Met slapen gaat dat ook zo. Kinderen moeten op de rug, in een eigen bed, zonder hulp in slaap kunnen vallen. Want dat vraagt het protocol rondom wiegendood in de kinderopvang. Maar voor veel baby’s, en zeker voor baby’s rond drie maanden, is dat heel moeilijk. Het verlof van ouders is al veel te kort – voor herstel, voor het wennen aan het ouderschap. En dan moeten ze in diezelfde tijd hun kind ook nog klaarstomen voor de opvang. Dat lukt gewoon niet altijd. Wat we daarnaast vergeten, is dat er veel meer speelt dan alleen het kind dat went. Ouders, professionals, andere kinderen, iedereen heeft zijn eigen proces. Ook dat kost allemaal tijd.’
Kun je dat eens concreet maken? Wat gebeurt er allemaal tijdens het wennen?
‘Er gebeuren vijf dingen tegelijkertijd. Allereerst moet het kind leren om op de groep te zijn, gescheiden van de ouders. Ook voor de ouders is dat nieuw, omdat ze ineens de zorg aan anderen moeten toevertrouwen. Ten derde start de band tussen kind en professional. Zij moeten elkaar leren kennen, zodat er hechting ontstaat. Tegelijkertijd start de samenwerking tussen professional en ouder, en als vijfde moet het kind de andere kinderen leren kennen. Als dat laatste goed gaat, helpt dat trouwens enorm. Zeker bij iets oudere kinderen. Met vriendjes wordt de opvang meteen veel leuker.’
We moeten ons dus niet alleen op het kind richten.
‘Nee, je wil juist dat alles goed gaat. Want als er bijvoorbeeld frictie is tussen professional en ouder, dan begin je al met een achterstand. Dat kan iets heel kleins zijn: de ouders willen graag dat de professional een slaapliedje zingt, maar dat gebeurt niet. En het is onduidelijk waarom niet. Dat kan al een slechte basis zijn voor verdere ervaringen. Maar omgekeerd geldt dat net zo: als de professional niet genoeg ruimte krijgt van de ouder, dan gaat het ook niet goed. Al die verschillende dingen rondom het kind hebben uiteindelijk invloed op hoe snel en goed het kind went.’
Wanneer zou het wenproces moeten beginnen?
‘Eigenlijk al bij het allereerste contact, zodra de ouders vragen of er nog plek is. Dan begint het al: hoe voelt deze opvang? Voel ik me welkom? Begrijpen ze mij? Elk contactmoment kan bijdragen aan een sterke basis. Toch zie je vaak dat het eerste echte gesprek pas enkele weken voor de start plaatsvindt. Maar dat is vrij laat. Ouders vragen zich voor die tijd al van alles af: hoe gaat het straks? Wat moet mijn kind al kunnen? Die zorgen kun je beter zo vroeg mogelijk wegnemen, liefst al tijdens de zwangerschap.’
Je hebt veel aandacht voor de ouders. Waarom is dat zo belangrijk?
‘Veel ouders zijn optimistisch tijdens de zwangerschap, vooral bij de eerste. Ze denken: mijn kindje gaat het vast goed doen. Goed slapen, goed eten, goed drinken. Alles komt goed. En ik gun iedereen dat, maar tijdens die eerste duizend dagen kan er van alles misgaan. Te vroeg geboren, een huilbaby, moeite met slapen, moeite met de fles. Daar is tijd voor nodig, ook binnen de kinderopvang. Misschien willen ouders later starten dan ze eerst dachten, of ze willen meer tijd aan wennen besteden, beginnen met halve dagen. Maar dat kan dan vaak al niet meer. Ouders hebben alles al gepland tijdens de zwangerschap, de werkgever rekent op ze. Juist daarom is het zo goed als er vanuit de kinderopvang al heel vroeg vragen worden gesteld. Wat als het minder goed gaat? Is er een vangnet? Is thuiswerken een optie, of halve dagen werken? Dat zijn allemaal dingen waarvan ouders vaak zeggen: dit is mij van tevoren nooit verteld. Als ik had geweten dat er andere mogelijkheden waren, dan had ik het misschien wel anders gedaan.’
Hoe bouw je wennen goed op?
‘Dat verschilt per kind. Kinderen die wat meer huilen, die sneller angstig of boos zijn, of minder makkelijk te troosten, die hebben het moeilijker. Zeker bij de start. Hele dagen zijn dan vaak te lang. Daarom is het goed om altijd te starten met ouders op de groep. En om daarna te beginnen met halve dagen. Al is het natuurlijk vervelend dat je als ouder sowieso betaalt voor een hele dag. Ik ben een hoogopgeleide, witte vrouw die het financieel goed heeft, dus voor mij is het makkelijk praten. Maar toch, voor het kind zou het fijn zijn om met halve dagen te beginnen, als dat kan.’
Wanneer weet je dat een kind gewend is?
‘Ja, dat is een goede vraag. Kinderen die veel huilen zijn namelijk niet de enigen die het moeilijk hebben. Baby’s kunnen ook juist in zichzelf keren. Dan denk je: die ligt zoet in de box. Maar eigenlijk is de baby nog niet goed gewend. De baby pakt dan geen speelgoed vast, maakt slecht oogcontact. Met weer andere baby’s is op de groep niets aan de hand, maar thuis barst de bom. Ze zijn ontzettend moe of huilen de hele avond. Dat moet je dus allemaal evalueren. Ook daarom is goed contact tussen professional en ouder zo belangrijk. Na twee maanden zou je standaard een evaluatiemoment moeten hebben. Hoe gaat het nu? Wat zien jullie, wat zien wij?’
Jij hebt veel samengewerkt met professor Marianne Riksen-Walraven. Wat maakt haar zo relevant?
‘Ja, zij was mijn promotor. Zij heeft in Nederland de kwaliteit van de kinderopvang echt op de kaart gezet. Dertig jaar geleden werd kwaliteit nog gemeten aan bijvoorbeeld hygiëne, vierkante meters en meubilair. Marianne zei: het enige wat écht uitmaakt voor een baby, is hoe de professional het doet. Hoe sensitief en responsief de professional is. Dus als de baby een signaal geeft – dat kan iets heel kleins zijn, een kreuntje of iets – dan wil je dat de professional dat ziet en er goed op reageert. Marianne heeft met haar onderzoek laten zien waarom dat belangrijk is. Dat heeft zelfs geleid tot nieuwe regelgeving. Zo zijn haar vier pedagogische basisdoelen verankerd in de wet en ging het aantal baby’s per professional omlaag. Inmiddels weten professionals dit allemaal, sensitiviteit is nu de norm. Maar bij het wennen, vooral rondom slapen, zie je toch dat er soms net iets anders over wordt gedacht. Het zou mooi zijn als ook daar de omslag komt.’