WETENSCHAPPELIJKE BRON
Onderwerp: Betekenisvolle overdracht ouders | Publicatiedatum: 2012

Kern

Dit onderzoek beschrijft de kwaliteit van de interactie tussen opvoeders en pedagogisch professionals tijdens het wegbrengmoment in de kinderdagopvang en onderzoekt de relatie met structurele en proceskenmerken van de instelling, zoals opleidingsniveau van het personeel, de ratio pedagogisch professionals en kinderen, en emotionele ondersteuning op de groep. Meer dan 1000 opvoeders werden geobserveerd. Opvoeders waren gemiddeld een minuut op de groep bij het wegbrengen en communicatie met pedagogisch professionals was beperkt. In 15% van de gevallen gaf of vroeg de pedagogisch professional (naar) informatie gerelateerd aan het kind. Er waren weinig verbanden tussen de structurele en proceskwaliteit van de kinderdagopvang en de kwaliteit van de overdrachten. De onderzoekers benadrukken dat bewustzijn een belangrijke factor is om de kwaliteit en de frequentie van een betekenisvolle overdracht te verbeteren. Instellingen zouden de randvoorwaarden moeten scheppen om een betekenisvolle overdracht mogelijk te maken (bv. voldoende staf) en pedagogisch professionals moeten coachen hierin.

Een sterke en ondersteunende samenwerking tussen opvoeders en pedagogisch professionals versterkt de ontwikkeling van kinderen en vermindert de kans op gedragsproblemen. Een belangrijke basis voor deze samenwerking is frequent en betekenisvol contact, over de ervaringen van het kind, de ontwikkeling van het kind en de behoeften van het kind. Dit soort contact vindt veelal plaats in de dagelijkse overdrachtsmomenten. Deze studie onderzoekt hoeveel en hoe opvoeders en pedagogisch professionals communiceren tijdens de dagelijkse overdracht (specifiek: brengen), welke factoren de kwaliteit van de communicatie voorspellen en of de kwaliteit van de dagelijkse overdracht een goede indicator is van de kwaliteit van pedagogische zorg overdag.

Er werden 64 kinderdagopvangcentra in Toronto onderzocht met 101 peutergroepen en meer dan 1000 verzorgers. Pedagogisch professionals en opvoeders vulden korte vragenlijsten in, maar de meeste informatie werd verzameld via observaties in de kinderdagopvang. De onderzoekers observeerden (onafhankelijk) de kenmerken en kwaliteit van de dagelijkse overdracht en de kwaliteit van de pedagogische zorg gedurende de dag (zowel structurele als proceskenmerken; CLASS en ECERS-R).

Uit het onderzoek bleek dat opvoeders gemiddeld slechts een minuut op de groep waren bij het wegbrengen en communicatie met pedagogisch professionals was beperkt: vooral non-verbaal (zoals glimlachen) en zelden inhoudelijk. 1 op de 3 ouders, en 1 op de 5 kinderen werd niet begroet door de pedagogisch professional. Opvoeders namen vaker het initiatief tot gesprekken dan de pedagogisch professionals. Pedagogisch professionals spraken meer met kinderen dan met ouders, vooral door vragen te stellen of hen in een activiteit te betrekken. Er was nauwelijks een verband tussen de structurele en proceskwaliteit van de kinderdagopvang en de kwaliteit van de overdrachten.

Kortom: de overdracht is vaak kort en oppervlakkig. De onderzoekers benadrukken dat communicatie tussen opvoeders en pedagogisch professionals bij het brengen van kinderen belangrijk is, maar in de praktijk nauwelijks plaatsvindt. Ze raden aan om medewerkers bewust te maken van het belang van dit contact, bijvoorbeeld via training of bijscholing. Ook zouden kinderdagopvangcentra de randvoorwaarden moeten scheppen om een betekenisvolle overdracht mogelijk te maken, bv. door roosters aan te passen. Het begroeten van opvoeders en kinderen is een eenvoudige maar effectieve stap om de communicatie te bevorderen. Opvoeders moeten zich daarnaast bewust zijn dat hun indruk tijdens het brengen weinig zegt over de kwaliteit van de pedagogische zorg overdag. Daarom blijft het noodzakelijk dat externe instanties de opvangkwaliteit goed monitoren.