De overgangsmomenten bij het halen en brengen, vaak kort of vluchtig, vormen een uniek moment van contact tussen opvoeders en pedagogisch professionals. Dit beschrijvende onderzoek kijkt naar hoe opvoeders en pedagogisch professionals met elkaar communiceren tijdens deze momenten in kinderdagopvangcentra.
In 16 kinderopvangcentra werden 369 interacties geobserveerd tijdens de dagelijkse overdrachtsmomenten. Met een speciaal ontwikkeld observatie instrument – de Parent-Caregiver Communication Checklist (PCCC) – werd elk gesprek geanalyseerd. Specifiek werd gekeken naar de frequentie, de duur en de inhoud van de gesprekken. Daarnaast werd gekeken naar de locatie van de gesprekken en of er verschil was tussen leeftijdsgroepen. Ook werd genoteerd wie het gesprek begon en wat de toon van het gesprek was. Tot slot werd beoordeeld hoe nuttig de informatie was die werd uitgewisseld voor het kind, de opvoeder en de pedagogisch professional.
Er bleek grote variatie in communicatie van opvoeders en pedagogisch professionals tussen kinderopvangcentra. In twee derde van de overdrachten vonden gesprekken plaats, maar de gesprekken duurden meestal slechts 12 seconden. Meestal vonden gesprekken plaats op de groep. Opvoeders die op de groep kwamen, spraken vaker met professionals dan opvoeders die buiten of in de hal bleven. Ook bleek dat professionals ’s ochtends (brengen) beter beschikbaar waren dan ’s middags (ophalen), terwijl dit voor opvoeders andersom was. In de helft van deze gesprekken werd informatie uitgewisseld over het gedrag van het kind, diens gezondheid of dagbesteding. Opvoeders van jonge kinderen spraken vaker en langer met pedagogisch professionals. Hun gesprekken waren ook vaker inhoudelijk en nuttig dan die van opvoeders met oudere kinderen.
De studie laat een gedetailleerd beeld zien van de communicatie tijdens overdrachtsmomenten: kwaliteit van overdrachten verschilt sterk, en is vaak kort en oppervlakkig. De onderzoekers adviseren opvangcentra om meer te investeren in het frequenter en betekenisvoller communiceren tijdens de overdracht. Hierdoor kan de betrokkenheid van ouders worden vergroot, en de zorg voor kinderen verbeterd.